In groep 6 leren je leerlingen lastige woordsoorten schrijven: leenwoorden, meervouden en verkleinwoorden. Ook komen de eerste stappen richting werkwoordspelling aan bod. Op deze pagina lees je wat er in groep 6 aan bod komt, hoe je het in de klas oefent en welk materiaal daarbij past.
Elke methode heeft een eigen volgorde. Stem de oefeningen af op waar je groep nu staat.
Maak samen verkleinwoorden: boom wordt boompje, raam wordt raampje, bal wordt balletje. Hoor je welk achtervoegsel erbij past?
Eindigt een woord op a, i, o, u of y, dan krijg je in het meervoud een apostrof: opa’s, taxi’s, baby’s. Laat leerlingen in tweetallen voorbeelden zoeken in een folder of krant.
Leenwoorden leer je vooral door ze vaak te zien. Strips, tijdschriften en boeken in de klassenbibliotheek helpen daarbij.
Een printbaar spellingboekje met oefeningen voor groep 6, voor in de klas. Bekijk de spellingboekjes → Inbegrepen bij JouwKlas Membership.
Leenwoorden schrijf je vaak zoals in de taal waar ze vandaan komen, niet zoals je ze hoort. Leerlingen leren ze vooral door ze vaak te zien en te schrijven.
Het hele werkwoord zonder -en: lopen wordt loop, werken wordt werk. In groep 7 en 8 maken leerlingen vanuit de stam alle werkwoordsvormen.
Tips om ouders mee te geven vind je op Voor ouders. Alle materialen staan op de pagina Spelling.
We gebruiken cookies om de website goed te laten werken en om te zien hoe hij gebruikt wordt. Kies zelf wat je toestaat. Je kunt je keuze altijd weer aanpassen.