Dagritmekaarten geven houvast, maar alleen als je ze elke dag echt gebruikt. Hangen ze er alleen als versiering, dan kijkt na een week niemand er meer naar.
Bijna elke klas heeft ze: een rij kaarten met de activiteiten van de dag. Toch verschilt het eigenlijk heel erg wat ze opleveren. In de ene groep weten de kinderen precies wat er komt en lopen overgangen soepel. In de andere groep vraagt er om de tien minuten iemand: “Juf, wanneer gaan we gymmen?”
Het verschil zit zelden in de kaarten zelf, maar vooral in de routine eromheen. Hieronder lees je hoe je van het dagritme een hulpmiddel maakt dat echt werkt, van de kleuters tot en met groep 8.
- Een zichtbaar dagritme maakt de dag voorspelbaar, en dat geeft rust en overzicht.
- De kaarten werken pas als je ze elke dag bespreekt, bijhoudt en gebruikt bij overgangen.
- Laat wijzigingen altijd zien op het bord, en niet alleen horen.
- Geef de kinderen een rol: zij houden het ritme samen met jou bij.
Wat zijn dagritmekaarten?
Dagritmekaarten zijn kaarten met een afbeelding, een woord of allebei, die samen de volgorde van de dag laten zien. Je hangt ze op een vaste plek, van boven naar beneden of van links naar rechts. Zo zien de kinderen in één oogopslag wat er geweest is, wat er nu gebeurt en wat er nog komt.
In de onderbouw zijn het meestal grote pictogrammen: kring, werken, buiten spelen, eten en drinken. In de midden- en bovenbouw verschuift het naar woorden, vaak met tijden erbij: rekenen, spelling, pauze, begrijpend lezen. De vorm verandert dus, maar het doel blijft hetzelfde: je maakt de dag zichtbaar.
Waarom een zichtbaar dagritme werkt
Voorspelbaarheid geeft rust
Kinderen die weten wat er komt, hoeven daar niet over na te denken of naar te vragen, en die aandacht blijft over voor de les. In het onderzoek naar klassenmanagement komen een duidelijke structuur en vaste, goed aangeleerde routines dan ook steeds terug als aanpakken die werken (Simonsen et al., 2008). Voor kinderen die onzeker worden van onverwachte dingen, is een zichtbare planning extra prettig. Zij kunnen zelf nakijken hoe de dag loopt, zonder dat ze afhankelijk zijn van wat jij net hebt gezegd.
Wat je zegt is weg, een kaart blijft hangen
Wat je zegt, is weg zodra je bent uitgepraat. Een kaart blijft gewoon hangen.
Een kind dat net even niet oplette, heeft je mededeling gemist. Een kaart kan het steeds opnieuw bekijken. Dat helpt ook kinderen die het Nederlands nog aan het leren zijn, of die moeite hebben om een lange mondelinge uitleg vast te houden.
Leahy en Sweller (2011) lieten basisschoolleerlingen leren van gesproken en van geschreven uitleg. Bij een lange gesproken tekst leerden de kinderen meer van de geschreven versie. De verklaring is dat gesproken informatie meteen verdwijnt en dan te veel vraagt van het werkgeheugen, terwijl geschreven informatie blijft staan.
Knight et al. (2015) zetten het onderzoek naar visuele dagschema’s voor kinderen en volwassenen met autisme op een rij. Ze concluderen dat zulke schema’s als bewezen werkzaam gelden voor deze groep, vooral als je het gebruik ervan ook systematisch aanleert.
Simonsen et al. (2008) vonden in hun overzicht van onderzoek naar klassenmanagement dat een duidelijke structuur met expliciet beschreven routines samengaat met meer passend gedrag van kinderen, zowel bij het werken als in de omgang met elkaar.
Het helpt bij zelfstandigheid en tijdsbesef
Een dagritme leert kinderen vooruitkijken: wat komt hierna, en wat moet ik daarvoor klaarleggen? Jonge kinderen leren zo begrippen als eerst, daarna, voor de pauze en vanmiddag. Oudere kinderen leren hun werk plannen binnen de tijd die er is.
Vier gewoontes die het verschil maken
Bespreek de planning bij de start
Loop elke ochtend kort door de dag en benoem wat er bijzonder is. Houd het bij een minuut of twee, want het is een overzicht en geen les. Benoem vooral wat anders is dan normaal, zoals een invaller, een gastles of een verschoven gymtijd.
Laat wijzigingen zien
Verplaats een kaart als het programma verandert, in plaats van het alleen te zeggen. Doe dat terwijl de klas erbij is en vertel wat je doet: “Tekenen gaat naar morgen, hier komt de voorstelling.” Dan is de verandering letterlijk te zien, en dat maakt het voor veel kinderen makkelijker om haar te accepteren.
Koppel routines aan vaste momenten
Gebruik dezelfde woorden en stappen bij overgangen, bijvoorbeeld na de pauze of bij het begin van zelfstandig werken. Wijs daarbij naar het dagritme: “We zijn hier. Wat heb je nodig voor het volgende onderdeel?” Zo wordt de kaart het startsein voor een vaste routine. Meer ideeën voor zulke routines vind je bij klassenmanagement.
Maak de kinderen mede-eigenaar
Laat de kinderen zelf vooruitkijken naar de volgende activiteit, of een kaart omdraaien als een onderdeel klaar is. Maak er een klassentaak van, net als de planten water geven. Wie de kaarten bijhoudt, kijkt er vanzelf naar, en de rest van de groep kijkt mee.
Onderbouw en bovenbouw: wat is anders?
Groep 1 en 2
Werk met grote, duidelijke pictogrammen en niet te veel kaarten tegelijk. Splits de dag eventueel in ochtend en middag. Gebruik een knijper, pijl of magneet die aangeeft waar jullie nu zijn. Bespreek het ritme in de kring en laat een kind de pijl verplaatsen.
Groep 3 tot en met 5
Combineer beeld en woord. In groep 3 is het dagritme meteen leesmateriaal dat ergens over gaat, want de kinderen lezen woorden die echt iets voor ze betekenen. Vanaf groep 4 of 5 kun je tijden toevoegen en die koppelen aan de klok in de klas. Zo oefen je klokkijken op een moment dat het ook echt nodig is.
Groep 6 tot en met 8
Oudere kinderen hebben geen plaatjes meer nodig, maar wel overzicht. Zet de planning met tijden op het bord of het digibord, en schrijf per blok kort het doel of het materiaal erbij. In de bovenbouw kun je het dagritme verbinden met een weektaak, zodat de kinderen zien wanneer er instructie is en wanneer ze zelf kunnen plannen. Dat is ook een goede voorbereiding op werken met een rooster en een agenda in het voortgezet onderwijs.
Stel, je hoort in groep 4 om kwart voor negen dat de gymzaal vandaag niet beschikbaar is. Je zegt het niet even tussendoor, maar loopt naar het dagritme, haalt de gymkaart weg en zet er buiten spelen en een extra leesmoment voor in de plaats. “Kijk even mee: gym vervalt vandaag. Dit komt ervoor in de plaats.” Een kind dat moeite heeft met veranderingen, kan in de pauze nog een keer langs het bord lopen om het na te kijken. Het hoeft het dan niet te vragen, want het staat er gewoon.
Stap voor stap
- Kies een vaste plek. Hang het dagritme op ooghoogte van de kinderen, zichtbaar vanaf elke werkplek.
- Beperk het aantal kaarten. Kies kaarten voor de grote blokken van de dag, want niet elk kwartier hoeft een eigen kaart.
- Maak zichtbaar waar jullie zijn. Gebruik een pijl, knijper of magneet, of draai afgeronde kaarten om.
- Bespreek het elke ochtend. Kort, op een vast moment, met aandacht voor wat vandaag anders is.
- Gebruik het bij elke overgang. Wijs het volgende onderdeel aan en benoem wat de kinderen moeten klaarleggen.
- Geef de taak uit handen. Laat een kind het ritme bijhouden en wissel dat elke week.
Waar het vaak misgaat
Het meest zie je dat de kaarten er wel hangen, maar dat niemand ernaar kijkt. Verwijs er daarom zelf een paar keer per dag naar, want wat jij gebruikt, gaan de kinderen ook gebruiken. Een tweede valkuil is een ritme dat niet meer klopt. Een planning die om elf uur al niet meer klopt, verliest haar waarde, dus pas de kaarten meteen aan, ook bij kleine verschuivingen.
Ook te veel kaarten maken het onoverzichtelijk. Kies dan grotere blokken of splits de dag in twee delen. Gebruik daarnaast per activiteit steeds dezelfde kaart en hetzelfde woord, het liefst in de hele school, zodat de kinderen niet steeds hoeven te raden wat een plaatje betekent. En als alleen jij het bord bedient, blijft het eigenlijk jouw planning. Geef de kinderen een rol, dan wordt het ook hun dag.
- Loop bij de start in twee minuten de dag door en noem één ding dat anders is dan normaal.
- Wijs een kind aan dat vandaag de pijl verplaatst of de kaarten omdraait.
- Gebruik bij de overgang na de pauze één vaste zin, terwijl je naar het dagritme wijst.
- Kijk aan het eind van de dag: klopte het ritme nog met wat we echt gedaan hebben?
Zoek je nog materiaal om mee te beginnen? Kijk dan bij het lesmateriaal of gebruik de digibordtools om de planning op het bord te zetten.
Veelgestelde vragen
Zijn dagritmekaarten alleen iets voor kleuters?
Nee. De vorm verandert, maar ook kinderen in groep 7 en 8 werken rustiger als de planning zichtbaar is. In de bovenbouw gebruik je woorden en tijden in plaats van pictogrammen, en koppel je het dagritme aan zelf plannen.
Moet ik tijden bij de kaarten zetten?
Bij kleuters is de volgorde belangrijker dan de kloktijd. Vanaf ongeveer groep 4, als de kinderen leren klokkijken, zijn tijden een handige toevoeging. Kies wat past bij wat je groep al kan.
Wat doe ik als een kind van slag raakt door een wijziging?
Kondig de wijziging zo vroeg mogelijk aan en laat haar zien op het bord. Vertel wat er vervalt en wat ervoor in de plaats komt. Sommige kinderen hebben baat bij een eigen klein dagritme op tafel. Blijft een kind er veel moeite mee houden, bespreek dat dan met de intern begeleider en de ouders.
Verder lezen
Bronnen
- Knight, V., Sartini, E., & Spriggs, A. D. (2015). Evaluating visual activity schedules as evidence-based practice for individuals with autism spectrum disorders. Journal of Autism and Developmental Disorders, 45(1), 157–178. https://doi.org/10.1007/s10803-014-2201-z
- Leahy, W., & Sweller, J. (2011). Cognitive load theory, modality of presentation and the transient information effect. Applied Cognitive Psychology, 25(6), 943–951. https://doi.org/10.1002/acp.1787
- Simonsen, B., Fairbanks, S., Briesch, A., Myers, D., & Sugai, G. (2008). Evidence-based practices in classroom management: Considerations for research to practice. Education and Treatment of Children, 31(3), 351–380. https://doi.org/10.1353/etc.0.0007
Comments are closed