Lang achter elkaar oefenen voelt efficiënt. Toch blijft kennis meestal beter hangen als je dezelfde stof op meerdere momenten laat terugkomen, met tijd ertussen.
Een blok breuken van drie weken, een tafelweek, een thema woordenschat: veel methodes en jaarplanningen zijn in blokken opgebouwd. Dat is overzichtelijk, maar het heeft ook een keerzijde. Wat aan het eind van het blok goed ging, blijkt een paar maanden later vaak weer weggezakt.
Gespreid oefenen is daar eigenlijk het antwoord op. Je oefent niet meer, je verdeelt de oefening alleen anders. Hieronder lees je wat het inhoudt, waarom het werkt en hoe je het zonder extra lesuur in je week verwerkt.
- Gespreid oefenen betekent dat dezelfde stof op meerdere momenten terugkomt, met tijd ertussen.
- Onderzoek laat zien dat verspreide oefening meestal beter wordt onthouden dan alles achter elkaar.
- Er is niet één perfecte tussenpoos; dat de stof regelmatig terugkomt, is het belangrijkst.
- Het voelt moeilijker dan stampen, en dat hoort er ook bij.
Wat is gespreid oefenen?
Bij gespreid oefenen, in het Engels spaced of distributed practice, knip je de oefentijd in kleinere stukken en zet je daar tijd tussen. In plaats van één keer dertig minuten de tafel van 7 oefen je bijvoorbeeld zes keer vijf minuten, verspreid over twee weken. De totale tijd blijft gelijk, alleen de verdeling is anders.
Het tegenovergestelde heet geconcentreerd oefenen, of gewoon stampen: alles in één keer, tot het lukt. Dat doen kinderen vaak de avond voor een toets, en als school doen we het ongemerkt ook wanneer een onderwerp na het blok niet meer terugkomt.
Waarom werkt het?
Als stof terugkomt nadat er al een beetje is weggezakt, moeten kinderen meer moeite doen om het weer boven te halen. Dat lijkt een nadeel, maar het onderzoek naar gespreid oefenen laat steeds weer zien dat er met tijd ertussen op de lange termijn juist meer blijft hangen.
Cepeda et al. (2006) brachten in een grote review ruim driehonderd experimenten samen over gespreid oefenen. Oefenmomenten met tijd ertussen leverden meer op dan dezelfde oefening direct achter elkaar. Ze vonden ook dat de beste tussenpoos afhangt van hoe lang je iets wilt onthouden: hoe verder de toets weg ligt, hoe langer de ideale tussenpoos.
Cepeda et al. (2008) zagen hetzelfde patroon in een studie met meer dan 1350 deelnemers die feiten leerden en die soms pas na een jaar werden getoetst. Dunlosky et al. (2013) vergeleken tien bekende leertechnieken en rekenen gespreid oefenen, samen met oefenen met vragen, tot de technieken met de meeste waarde.
Goed om te weten: de review van Cepeda et al. (2006) ging over het onthouden van talige informatie, zoals woorden en feiten. Dat sluit goed aan bij veel stof op de basisschool, zoals tafels, woordenschat, spellingregels en begrippen, maar het is geen recept met vaste dagen. Gebruik het vooral als richting: liever vaker kort dan één keer lang.
Waarom voelt stampen soms beter?
Bij geconcentreerd oefenen gaat het tijdens de oefening vaak snel beter. Dat geeft het gevoel dat de kinderen het nu beheersen. Soderstrom en Bjork (2015) laten in hun review zien dat wat je tijdens het oefenen ziet, vaak een onbetrouwbare aanwijzing is voor wat er op langere termijn blijft hangen. Ze beschrijven ook dat mensen hun prestaties tijdens het oefenen geregeld verwarren met echt leren.
Een herhaalmoment waarop de helft van de klas even moet nadenken, vertelt je meer dan een les waarin iedereen alles goed heeft.
Dat is voor jou als leerkracht ook verraderlijk. Een les waarin iedereen aan het eind twintig sommen goed maakt, voelt geslaagd. Een herhaalmoment een week later waarop de helft even moet nadenken, voelt als achteruitgang. Toch zegt dat tweede moment je eigenlijk meer over wat er echt geleerd is.
Wat betekent dit voor de basisschool?
In plaats van een rekenstrategie, spellingcategorie of woordenschatdoel alleen tijdens één blok intensief te oefenen, kun je oude doelen bewust blijven mengen in latere lessen. Je behandelt op maandag bijvoorbeeld een nieuwe spellingcategorie, laat op woensdag twee korte herhaalwoorden terugkomen en doet dat de week erna opnieuw. Tafels oefen je dan niet alleen in een tafelweek, maar elke dag met een klein gemengd setje. En na een zaakvakles haal je een week later drie begrippen terug, terwijl je woordenschat uit vorige thema’s ook gewoon blijft gebruiken in gesprekken en schrijfopdrachten.
In groep 3 tot en met 5
In groep 3 gebeurt gespreid oefenen bij letters en klanken al bijna vanzelf, omdat eerder geleerde letters elke dag terugkomen. Trek die lijn door naar rekenen. Splitsingen, sommen tot 20 en later de tafels vragen om korte herhaling, ook als het blok alweer over iets anders gaat. Houd de momenten kort en voorspelbaar, want een vast rondje na de pauze werkt vaak beter dan af en toe een lange oefenles.
In groep 6 tot en met 8
In de bovenbouw stapelt de stof zich op: breuken, procenten, werkwoordspelling, topografie en begrippen uit de zaakvakken. Hier loont het om een eenvoudige herhaalplanning bij te houden. Leer de kinderen ook zelf plannen, bijvoorbeeld drie avonden tien minuten leren voor een toets in plaats van één avond een half uur. Voor ouders is dat ook een concreet en haalbaar advies.
Stel, je rondt in groep 6 het blok over breuken af. In plaats van het onderwerp los te laten, zet je op je weekplanning een vast “drie van toen”-moment: elke rekenles begint met drie opgaven uit eerdere blokken. De eerste week zit er elke dag een breukensom bij, daarna twee keer per week en later eens per twee weken. Na een maand zie je dat het vergelijken van breuken nog steeds lastig is, dus laat je die opgave weer wat vaker terugkomen. Extra lestijd kost het niet, want je schrapt drie opgaven uit de verwerking van die dag.
Stap voor stap
1. Kies wat moet blijven hangen
Niet alles hoeft terug te komen. Kies de kernkennis en de basisvaardigheden van je leerjaar die de kinderen later echt nodig hebben.
2. Reserveer een vast moment
De eerste vijf minuten van de reken- of spellingles zijn daar bijvoorbeeld heel geschikt voor.
3. Meng oud en nieuw
Neem telkens een paar opgaven of vragen uit eerdere blokken mee, naast de stof van vandaag.
4. Maak de tussenpozen langer
Laat de stof eerst na een paar dagen terugkomen, dan na een week en daarna na een paar weken. Dat is een praktische vuistregel en geen vast schema uit onderzoek, maar het past wel bij de bevinding dat langere tussenpozen helpen als je iets langer wilt onthouden (Cepeda et al., 2008).
5. Kijk wat er misgaat
Stof die is weggezakt, laat je weer wat vaker terugkomen.
6. Houd het bij
Een eenvoudig lijstje per vak met “wanneer voor het laatst herhaald” is eigenlijk al genoeg.
Waar het vaak misgaat
Een veelgemaakte fout is herhalen door de stof opnieuw uit te leggen. Dan ben jij aan het werk, terwijl je juist wilt dat de kinderen de stof zelf ophalen of toepassen, en jij alleen uitlegt wat fout gaat. Ook een grote herhaalles eens per maand is eigenlijk weer stampen, dus kies liever voor korte momenten die vaak terugkomen.
Het is ook verleidelijk om te stoppen zodra het goed gaat. Maar dat het vlak na de instructie lukt, zegt nog weinig, dus laat de stof ook na weken nog eens terugkomen, al is het minder vaak. Schrik verder niet als kinderen iets kwijt zijn, want dat betekent niet dat je les mislukt was. Het is juist het moment waarop herhalen zin heeft. En wil niet alles spreiden, want dat wordt onwerkbaar: beperk je tot wat de kinderen later echt nodig hebben.
- Voeg aan je reken- of spellingles drie opgaven toe uit een eerder blok.
- Schrap daarvoor drie opgaven uit de verwerking, zodat het geen extra tijd kost.
- Noteer welke opgave het vaakst fout ging.
- Zet die opgave over een paar dagen opnieuw op het bord.
Materiaal nodig om eerdere doelen kort te laten terugkomen? Bij lesmateriaal en spelling vind je werkbladen en oefeningen per onderwerp.
Veelgestelde vragen
Hoeveel tijd moet er tussen de oefenmomenten zitten?
Daar is geen vast getal voor. Onderzoek laat zien dat de beste tussenpoos langer wordt naarmate je iets langer wilt onthouden (Cepeda et al., 2006). Een bruikbare vuistregel voor de klas is om te beginnen met een of enkele dagen en de tussenpozen langer te maken als de stof beter zit. Belangrijker dan de precieze afstand is dat de stof terugkomt.
Kost gespreid oefenen extra lestijd?
Dat hoeft niet. Je verdeelt de oefentijd die je al hebt anders: iets minder opgaven over de stof van vandaag en een paar opgaven over eerdere stof erbij.
Wat is het verschil met retrieval practice?
Retrieval practice gaat over de manier van oefenen, namelijk zelf ophalen uit je geheugen. Gespreid oefenen gaat over het moment, namelijk verspreid over de tijd. Ze versterken elkaar, en korte ophaalvragen over oudere stof combineren ze allebei.
Verder lezen
Bronnen
- Cepeda, N. J., Pashler, H., Vul, E., Wixted, J. T., & Rohrer, D. (2006). Distributed practice in verbal recall tasks: A review and quantitative synthesis. Psychological Bulletin, 132(3), 354–380. https://doi.org/10.1037/0033-2909.132.3.354
- Cepeda, N. J., Vul, E., Rohrer, D., Wixted, J. T., & Pashler, H. (2008). Spacing effects in learning: A temporal ridgeline of optimal retention. Psychological Science, 19(11), 1095–1102. https://doi.org/10.1111/j.1467-9280.2008.02209.x
- Dunlosky, J., Rawson, K. A., Marsh, E. J., Nathan, M. J., & Willingham, D. T. (2013). Improving students’ learning with effective learning techniques: Promising directions from cognitive and educational psychology. Psychological Science in the Public Interest, 14(1), 4–58. https://doi.org/10.1177/1529100612453266
- Soderstrom, N. C., & Bjork, R. A. (2015). Learning versus performance: An integrative review. Perspectives on Psychological Science, 10(2), 176–199. https://doi.org/10.1177/1745691615569000
Comments are closed