Overslaan naar de hoofd content

JouwKlas

EDI in de praktijk: expliciete directe instructie zonder leerlingen passief te maken

Tekening: een trap met de stappen ik, wij, jullie, jij, met kinderen

Als ik met collega’s over EDI praat, hoor ik vaak hetzelfde: te strak, te veel praten voor de klas, kinderen die alleen maar luisteren. Dat beeld klopt maar half. Een les waarin jij twintig minuten praat en de klas stil zit, is geen EDI. Dat is een monoloog.

Expliciete directe instructie draait juist om het tegenovergestelde. Je legt kort en helder uit, je doet het voor en je denkt daarbij hardop, en dan zijn de kinderen aan de beurt. Je kijkt de hele les of iedereen het snapt, en je gebruikt wat je ziet om te bepalen wat je daarna doet. Zo zijn de kinderen eigenlijk de hele les aan het denken, en niet alleen aan het luisteren.

In het kort

  • Bij expliciete instructie maak je de denkstappen zichtbaar, in kleine stappen en met heldere taal.
  • Een lesmodel helpt alleen als je bij elke fase weet waarom je hem doet.
  • Je controleert het begrip van alle kinderen, niet van die ene vinger die omhoog gaat.
  • Het werkt vooral bij nieuwe stof. Daarna laat je steeds meer los.

Wat is expliciete instructie eigenlijk?

De kern is simpel: je laat nieuwe kennis niet vanzelf ontstaan, maar je maakt de belangrijke denkstappen zichtbaar voor de kinderen. In het onderzoek naar expliciete instructie komen steeds dezelfde kenmerken terug: je deelt lastige vaardigheden op in kleine stappen, je doet het voor, je oefent eerst samen voordat de kinderen het alleen doen, en je kijkt steeds of het begrepen is (Hughes et al., 2017). Daar hoort ook bij dat je in heldere taal uitlegt, dat je goede voorbeelden en ook niet-voorbeelden laat zien en dat je vooraf al nadenkt over de fouten die kinderen waarschijnlijk gaan maken.

EDI is dus meer dan een vaste volgorde van fasen. Het model helpt je, maar het doel is niet om het af te vinken. De vraag die je jezelf steeds stelt is eigenlijk: wat heeft deze groep nu nodig om dit doel te begrijpen en het daarna zelf te kunnen?

Waarom werkt het?

Actief is niet hetzelfde als vrijblijvend. In een goede EDI-les denkt elk kind de hele les mee.

Wie iets nieuws leert, heeft nog geen overzicht. Een kind weet dan nog niet wat belangrijk is en welke stap eerst komt. Als je de stof opdeelt, het voordoet en de kinderen het meteen samen laten oefenen, voorkom je dat ze verdwalen of dat ze zichzelf een verkeerde manier aanleren.

Wat zegt onderzoek?

Kirschner et al. (2006) zetten het onderzoek op een rij en concluderen dat beginners meer leren als ze stap voor stap begeleid worden dan als ze het grotendeels zelf moeten ontdekken. Pas als kinderen meer kennis hebben, kan de begeleiding minder worden.

Stockard et al. (2018) brachten in een meta-analyse een halve eeuw onderzoek naar Direct Instruction samen. Ze vonden steeds positieve effecten, bij verschillende vakken en bij verschillende groepen leerlingen.

Rosenshine (2012) beschrijft dat goede leerkrachten hun klas veel laten oefenen met succes, voordat de kinderen helemaal zelfstandig verder gaan. Het is dus geen aanpak alleen voor de zwakkere leerlingen, en juist bij kinderen die extra steun nodig hebben is het goed onderzocht (Hughes et al., 2017).

De zes fasen, en waarom je ze doet

1. Lesdoel en succescriteria

Schrijf het doel zo op dat je kunt zien of het gelukt is. “Ik kan breuken” is te breed. “Ik kan een breuk met noemer 10 of 100 omzetten naar een kommagetal” kun je wel zien. Een succescriterium vertelt de kinderen waar een goed antwoord aan voldoet.

2. Voorkennis ophalen

Nieuwe kennis bouwt voort op wat kinderen al weten. Haal alleen op wat je voor dit doel nodig hebt. Een paar korte vragen op de wisbordjes is vaak genoeg.

3. Voordoen: ik doe het eerst

Laat een heel voorbeeld zien en denk hardop. Vertel niet alleen wat je doet, maar ook waarom je die keuze maakt. Bij begrijpend lezen kan dat zijn: “Deze zin zegt niet letterlijk wat de oorzaak is, dus ik leg twee alinea’s naast elkaar.” Bij rekenen: “Ik kies een verhoudingstabel, omdat de twee hoeveelheden samen groter worden.”

4. Kijken of iedereen het snapt

Eén goed antwoord zegt niets over de hele klas. Daarom gebruik je werkvormen waarbij iedereen tegelijk antwoordt: wisbordjes, vingers opsteken voor antwoord a, b of c, een kort antwoord op papier, eerst denken en dan overleggen met je buur, of willekeurige beurten nadat iedereen denktijd heeft gehad. Gaat het bij veel kinderen mis, dan ga je terug. Zit het goed, dan ga je verder.

5. Samen oefenen

Nu doen de kinderen steeds meer zelf, maar jij blijft dichtbij. Je geeft meteen feedback, je bespreekt fouten met de hele klas en je laat verschillende kinderen vertellen hoe ze het aanpakten.

6. Zelfstandig verwerken

Zelfstandig werken heeft pas zin als de kinderen een goede kans hebben dat het lukt. Wie het doel nog niet beheerst, heeft extra instructie nodig. En wie het al lang kan, heeft niets aan nog twintig sommen van hetzelfde, maar wel aan compacten en verdiepen.

Actief, en niet passief

Een goede EDI-les kan juist heel actief zijn. Het verschil is alleen dat actief niet hetzelfde is als vrijblijvend. De kinderen denken, antwoorden, vergelijken, leggen uit en oefenen de hele les, en jij verzamelt ondertussen steeds informatie over wat ze snappen.

Een vuistregel die helpt: praat nooit lang achter elkaar zonder dat elk kind iets heeft moeten doen. Een antwoord op het wisbordje, iets vertellen aan je buur, een keuze met je vingers. Zo houd je de aandacht vast en weet je steeds waar de groep staat.

In de onderbouw en in de bovenbouw

In groep 3 en 4 houd je de uitleg kort en concreet. Je werkt met materiaal, je laat de kinderen hardop in koor meedoen en je wisselt uitleggen en doen snel af. Eén doel per les is genoeg, en het samen oefenen neemt de meeste tijd in.

In groep 5 tot en met 8 worden de stappen langer en abstracter. Dan wordt hardop denken nog belangrijker: je laat zien hoe je een aanpak kiest en hoe je controleert of je antwoord klopt. Oudere kinderen kunnen ook vaker zelf onder woorden brengen waarom een aanpak werkt, en je kunt binnen een lessenreeks sneller loslaten.

Een voorbeeld

Stel, je geeft in groep 5 een spellingles over het verdubbelen van de medeklinker. Je doet drie woorden voor en vraagt dan iedereen om “bakker” op het wisbordje te schrijven. Je ziet dat ongeveer een derde “baker” schrijft. In plaats van door te gaan, doe je nog twee woorden voor en klap je samen met de klas de klankgroepen. Bij de tweede keer gaat het bij bijna iedereen goed. De groep begint zelfstandig, en zes kinderen blijven nog tien minuten bij jou aan de instructietafel.

Wanneer laat je meer los?

Hoe meer de kinderen kennen en kunnen, hoe minder sturing ze nodig hebben. Bij bekende stof, onderzoeksvragen en opdrachten waarin ze iets toepassen, past meer zelfstandigheid. Expliciete instructie is vooral sterk bij nieuwe kennis, bij lastige stappen en bij kinderen die extra steun nodig hebben.

EDI en differentiëren

Differentiëren hoeft niet te betekenen dat je drie groepen drie hele lessen geeft. Gebruik wat je ziet bij het controleren van begrip om tijdelijk groepjes te maken. Een deel van de klas gaat zelfstandig verder, een klein groepje krijgt verlengde instructie, en de kinderen die het doel al beheersen krijgen compact of verdiepend werk.

Dat vraagt wel om een klas die zelfstandig kan werken terwijl jij aan de instructietafel zit. Hoe je die routines samen met je klas opbouwt, lees je bij klassenmanagement.

Waar het vaak misgaat

Het meest zie je dat het model wordt afgevinkt, terwijl je je bij elke fase eigenlijk moet afvragen wat je ermee wilt bereiken. Daarnaast praten we als leerkracht vaak te lang zelf, controleren we het begrip bij één kind in plaats van bij de hele klas, laten we te vroeg los en krijgt iedereen dezelfde verwerking, ook de kinderen die het al lang kunnen. Wie dat herkent, kan morgen al klein beginnen: knip je uitleg op, laat iedereen tussendoor antwoorden en start het zelfstandig werken pas als het samen oefenen goed gaat.

Morgen in je klas

  • Is mijn lesdoel scherp en kunnen de kinderen zien wanneer het gelukt is?
  • Haal ik alleen de voorkennis op die ik nodig heb?
  • Doe ik de belangrijkste denkstap hardop voor?
  • Laat ik alle kinderen meerdere keren antwoorden, en pas ik mijn tempo daarop aan?
  • Krijgt elk kind de verwerking die past bij wat het al kan?

Veelgestelde vragen

Is EDI niet saai voor sterke leerlingen?

Dat hoeft niet. Zie je bij het controleren van begrip dat een kind het doel al beheerst, dan hoeft het niet de hele instructie te volgen. Laat het eerder beginnen met compact of verdiepend werk.

Moet elke les volgens EDI?

Nee. Expliciete instructie past vooral bij nieuwe kennis en lastige procedures. Bij bekende stof, onderzoeksvragen en toepassingsopdrachten past meer zelfstandigheid.

Hoe lang mag de instructie duren?

Daar is geen vast getal voor. Houd de stukken waarin jij uitlegt kort en wissel ze steeds af met een moment waarop elk kind antwoordt. Bij jonge kinderen is dat nog belangrijker dan in de bovenbouw.

Verder lezen

Bronnen

  • Hughes, C. A., Morris, J. R., Therrien, W. J., & Benson, S. K. (2017). Explicit instruction: Historical and contemporary contexts. Learning Disabilities Research & Practice, 32(3), 140–148. https://doi.org/10.1111/ldrp.12142
  • Kirschner, P. A., Sweller, J., & Clark, R. E. (2006). Why minimal guidance during instruction does not work: An analysis of the failure of constructivist, discovery, problem-based, experiential, and inquiry-based teaching. Educational Psychologist, 41(2), 75–86. https://doi.org/10.1207/s15326985ep4102_1
  • Rosenshine, B. (2012). Principles of instruction: Research-based strategies that all teachers should know. American Educator, 36(1), 12–19, 39. https://www.aft.org/ae/spring2012/rosenshine
  • Stockard, J., Wood, T. W., Coughlin, C., & Rasplica Khoury, C. (2018). The effectiveness of Direct Instruction curricula: A meta-analysis of a half century of research. Review of Educational Research, 88(4), 479–507. https://doi.org/10.3102/0034654317751919
Gratis voor leerkrachten

10 routines voor een rustige klas

Van de binnenkomst tot een rustige afsluiting. Bij elke routine staat hoe je hem aanleert, wat je letterlijk kunt zeggen en een tip. Voor groep 1 tot en met 8.

Ontvang de gratis gids

Leave A Comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *