Spelling lijkt soms een vak van regels, uitzonderingen en dictees. Toch laat onderzoek een vrij duidelijke lijn zien: kinderen gaan beter spellen als je het gericht en expliciet aanleert, als ze genoeg oefenen en als ze hun spellingkennis ook gebruiken wanneer ze zelf schrijven.
Veel leerkrachten herkennen het wel: op het dictee gaat de categorie goed, en een week later staat hetzelfde woord fout in een verhaal. Dat is geen onwil. Het laat vooral zien dat een regel kennen iets anders is dan die regel op het juiste moment zelf toepassen. Hieronder lees je hoe je spellinglessen zo opbouwt dat de kennis blijft hangen en ook buiten het spellingblok gebruikt wordt. Meer over dit vak vind je op de pagina spelling.
- Gerichte spellinginstructie levert meer op dan hopen dat spelling vanzelf meegroeit met lezen en schrijven.
- Kinderen moeten een spellingprobleem herkennen, een strategie kiezen en het woord zelf schrijven.
- Gespreid en gemengd oefenen zorgt dat oude categorieën beschikbaar blijven.
- Zonder koppeling aan schrijven blijft spelling een los kunstje.
Expliciet spellingonderwijs werkt
Graham en Santangelo (2014) brachten 53 studies samen met ruim 6.000 leerlingen van de kleuterklas tot het eind van het voortgezet onderwijs. Formele spellinginstructie leverde betere spellingprestaties op dan geen instructie, en ook dan een aanpak waarin spelling alleen terloops aan bod kwam. De winst bleef bovendien niet beperkt tot het dictee: kinderen spelden ook beter wanneer ze zelf schreven, en ook hun fonologisch bewustzijn en hun leesvaardigheid gingen vooruit.
Expliciet betekent hier eigenlijk dat jij uitlegt en voordoet hoe een spellingprobleem werkt, dat de kinderen eerst samen met jou oefenen en daarna zelfstandig, en dat je tussendoor steeds kijkt of het begrepen is. Dat is iets heel anders dan een woordrijtje meegeven en er vrijdag een dictee over afnemen.
Een categorie herkennen is nog geen beheersing
Kinderen kunnen een regel vaak prima navertellen zonder dat ze hem zelfstandig toepassen. Daarom wil je in een spellingles drie dingen raken. Een kind moet eerst herkennen welk spellingprobleem het ziet, dan beslissen welke regel of strategie daarbij past, en tot slot het woord zonder hulp goed kunnen schrijven. Laat kinderen dus niet alleen woorden rubriceren, maar ook zelf woorden schrijven en uitleggen waarom een schrijfwijze klopt.
Doe de denkstappen hardop voor
Bij woorden als hond, gebeurt of ideeën is de juiste schrijfwijze niet voor ieder kind vanzelfsprekend. Daarom helpt het als je hardop denkt: “Ik hoor aan het eind van hond een /t/. Dan weet ik dat ik moet controleren of het een d of een t is. Ik maak het woord langer: honden. Nu hoor ik een d. Ik schrijf hond dus met een d.”
Als je die denktaal steeds op dezelfde manier gebruikt, krijgen kinderen een strategie die ze zelf kunnen herhalen. Wat ik het meest helpend vind, is dat je dit als school samen afspreekt. Gebruik in alle groepen zoveel mogelijk dezelfde formuleringen, zodat kinderen niet elk jaar een nieuwe versie van dezelfde regel hoeven te leren.
Een regel kennen is iets anders dan die regel op het juiste moment zelf toepassen.
Hoe ziet dit eruit in groep 3 tot en met 8?
Groep 3 en 4
In de onderbouw draait spelling om het koppelen van klanken aan letters en het schrijven van klankzuivere woorden: je schrijft wat je hoort. Daarna komen de eerste woorden waarbij dat niet meer opgaat. Een woord in klanken hakken en elke dag kort zelf schrijven vormen hier samen de basis.
Groep 5 en 6
Het aantal categorieën groeit dan snel, met open en gesloten lettergrepen, verlengen en meervouden. Je ziet hier vaak dat kinderen elke categorie los wel kunnen, maar door elkaar niet meer. Gemengd oefenen wordt in deze groepen dus echt nodig.
Groep 7 en 8
In de bovenbouw komt werkwoordspelling erbij, naast leenwoorden en leestekens. Werkwoordspelling vraagt om een vast stappenplan dat kinderen bij elke persoonsvorm doorlopen. Juist hier loont het om het hardop denken en redeneren te blijven oefenen, ook met kinderen die verder goed spellen.
Stel, je begint in groep 5 elke spellingles met een dictee van vijf woorden op het wisbordje. Twee woorden komen uit de categorie van deze week en drie uit eerdere weken. Na elk woord houdt iedereen het bordje omhoog en vraag je één kind: “Welke categorie is dit, en hoe wist je wat je moest schrijven?” Bij bomen zie je dat een groepje boomen schrijft. Je doet de regel nog één keer hardop voor en geeft meteen twee vergelijkbare woorden. Dat kost je vijf minuten, en je weet daarna precies wie straks verlengde instructie nodig heeft.
Oefenen zodat het blijft hangen
Oefen gespreid en gemengd
Een categorie één week intensief oefenen geeft snel succes, maar dat succes is vaak tijdelijk. Laat oude categorieën daarom steeds terugkomen tussen de nieuwe. Gemengd oefenen dwingt kinderen ook om eerst te bepalen met welk spellingprobleem ze te maken hebben, voordat ze een regel toepassen.
Graham en Santangelo (2014) laten in hun meta-analyse zien dat formele spellinginstructie beter werkt dan geen of alleen terloopse instructie, en dat het effect ook zichtbaar blijft wanneer kinderen zelf schrijven.
Uit onderzoek naar leren en onthouden weten we daarnaast dat gespreid oefenen beter werkt voor het onthouden op langere termijn dan alles in één keer oefenen (Cepeda et al., 2006). Dunlosky et al. (2013) beoordeelden tien leertechnieken en gaven oefentoetsen en gespreid oefenen de hoogste beoordeling. Gemengd oefenen kreeg een gemiddelde beoordeling: veelbelovend, maar met minder bewijs.
Roediger en Karpicke (2006) vonden dat leerlingen die stof actief uit hun geheugen ophaalden, die stof na twee dagen en na een week beter onthielden dan leerlingen die hem nog eens bestudeerden. Hun onderzoek ging over teksten, niet over spelling, maar het principe sluit goed aan bij een kort dictee waarin kinderen woorden zelf ophalen en opschrijven.
Gebruik het dictee als leermoment, niet alleen als meetmoment
Een kort dictee kan eigenlijk heel veel opleveren als je de fouten meteen samen bekijkt. Bij een dictee moeten kinderen het woord uit hun geheugen ophalen en zelf schrijven, en dat actief ophalen helpt om het te onthouden. Laat kinderen na elk woord bijvoorbeeld vertellen welke categorie het is, welke regel ze toepasten, waardoor een fout ontstond en hoe ze dat de volgende keer controleren. Zo gaat het bij het dictee niet meer alleen om goed of fout, maar vooral om hoe je een strategie gebruikt.
Automatiseren blijft nodig
Niet ieder woord hoeft elke keer via een regel beredeneerd te worden. Veel woorden die vaak voorkomen, moeten uiteindelijk snel en bijna vanzelf beschikbaar zijn. Regelkennis en woordbeeld vullen elkaar dus aan. Bij onregelmatige woorden of woorden die heel vaak voorkomen, helpt het om ze regelmatig en gespreid terug te laten komen en ze actief op te halen.
Koppel spelling aan schrijven
Als spelling alleen tijdens het spellingblok belangrijk is, nemen kinderen het nauwelijks mee naar hun eigen teksten. Bouw daarom ook bij schrijfopdrachten een korte controleronde in. Laat kinderen na het schrijven bijvoorbeeld drie dingen nakijken: de persoonsvormen, de meervouden en de woorden uit de categorie van deze week.
Wat helpt zwakke spellers?
Meer van hetzelfde is niet altijd de oplossing. Kijk eerst samen met het kind waar het probleem zit: in het hakken van woorden in klanken, in de regelkennis, in het opbouwen van woorden uit delen, in het woordbeeld, in het tempo of in de aandacht. Geef daarna korte, intensieve instructie met veel herhaling waarin het kind ook succes ervaart. Beperk het aantal nieuwe categorieën tegelijk en gebruik bij het uitleggen steeds dezelfde taal. Blijven de problemen ondanks goede extra instructie hardnekkig, bespreek het dan met de intern begeleider.
Stap voor stap
- Begin met ophalen. Een kort dictee van vijf woorden, waarvan een deel uit eerdere categorieën.
- Leg de nieuwe categorie uit en doe het voor. Denk hardop met vaste formuleringen.
- Oefen samen. De kinderen schrijven op een wisbordje en vertellen welke denkstappen ze zetten.
- Controleer. Kijk wie het kan en wie verlengde instructie nodig heeft.
- Laat zelfstandig schrijven. Eerst alleen de nieuwe categorie, daarna gemengd met oude.
- Pas het toe in een tekst. Sluit schrijfopdrachten af met een korte controleronde op spelling.
Waar het vaak misgaat
Het meest zie je dat een spellingles vooral bestaat uit invuloefeningen en rubriceren, terwijl kinderen juist hele woorden en zinnen zelf moeten schrijven. Daarnaast wordt een categorie vaak na één week afgesloten, terwijl je eigenlijk vaste momenten wilt plannen waarop oude categorieën terugkomen. Ook het dictee wordt nog vaak alleen nagekeken en becijferd, terwijl je de fouten juist meteen wilt bespreken en kinderen zelf de oorzaak laat benoemen. Verder helpt het als je als team dezelfde regels en formuleringen gebruikt, en als je ook bij andere vakken vraagt om een korte controle op een paar afgesproken spellingpunten.
- Begin de spellingles met vijf dicteewoorden, waarvan drie uit eerdere categorieën.
- Doe één woord hardop denkend voor en laat twee kinderen dat nadoen.
- Vraag bij elk dicteewoord aan één kind welke categorie het is en waarom.
- Laat de kinderen na de eerstvolgende schrijfopdracht drie afgesproken spellingpunten controleren.
Veelgestelde vragen
Moet ik elke dag een dictee geven?
Dat hoeft niet, maar kort en vaak werkt meestal beter dan lang en zelden. Een paar woorden aan het begin van de les, die je meteen samen bespreekt, zijn een oefenmoment en geen toets. Je hoeft er dus ook geen cijfer aan te hangen.
Leren kinderen niet vanzelf spellen als ze veel lezen?
Veel lezen helpt bij het opbouwen van woordbeelden, maar voor de meeste kinderen is het niet genoeg. Graham en Santangelo (2014) laten zien dat gerichte instructie meer oplevert dan een aanpak waarin spelling alleen terloops aan bod komt.
Wat kunnen ouders thuis doen?
Kort en positief oefenen: een paar woorden laten opschrijven in plaats van alleen laten overschrijven, en vragen “hoe weet je dat?”. Ouders kunnen de leerkracht vragen welke categorie aan de beurt is en welke regel de school gebruikt, zodat de uitleg thuis en op school hetzelfde is.
Verder lezen
- Gespreid oefenen: minder stampen, meer onthouden
- EDI in de praktijk: expliciete directe instructie
- Spelling per groep: categorieën, uitleg en werkbladen.
Bronnen
- Cepeda, N. J., Pashler, H., Vul, E., Wixted, J. T., & Rohrer, D. (2006). Distributed practice in verbal recall tasks: A review and quantitative synthesis. Psychological Bulletin, 132(3), 354–380. https://doi.org/10.1037/0033-2909.132.3.354
- Dunlosky, J., Rawson, K. A., Marsh, E. J., Nathan, M. J., & Willingham, D. T. (2013). Improving students’ learning with effective learning techniques: Promising directions from cognitive and educational psychology. Psychological Science in the Public Interest, 14(1), 4–58. https://doi.org/10.1177/1529100612453266
- Graham, S., & Santangelo, T. (2014). Does spelling instruction make students better spellers, readers, and writers? A meta-analytic review. Reading and Writing, 27(9), 1703–1743. https://doi.org/10.1007/s11145-014-9517-0
- Roediger, H. L., & Karpicke, J. D. (2006). Test-enhanced learning: Taking memory tests improves long-term retention. Psychological Science, 17(3), 249–255. https://doi.org/10.1111/j.1467-9280.2006.01693.x